Deze column verscheen eerder in het Nederlands Dagblad, 11 augustus 2020


Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam wordt sinds jaar en dag onderzoek gedaan naar wat menselijk geluk nu precies behelst. Onze ‘geluksprofessor’ en socioloog Ruut Veenhoven verwierf met zijn onderzoek naar geluk als subjectief beleefde ervaring van levensvoldoening en zijn ontwikkeling van de World Database of Happiness internationale erkenning en faam. Ook een jongere hoogleraar als de econoom Job van Exel betrekt in zijn onderzoek naar economische ontwikkelingen
de wisselwerking tussen geluk, welvaart en morele dilemma’s in zijn vraagstelling.

Maar in Rotterdam is meten weten. Niet zelden loopt er een econometrist vertwijfeld over de campus omdat na meting van bepaalde zaken de werkelijkheid niet blijkt te kloppen met het door haar of hem ontwikkelde model. Gek genoeg schept deze vertwijfeling een enorme band met de (veel te) weinig theologen aan de Erasmus Universiteit, die op diezelfde campus niet meten en dus ook niet weten, maar wel veel oude teksten vol verhalen over bijvoorbeeld menselijke drijfveren, deugden en ondeugden, gelezen hebben.

In deze teksten wordt hun ook een model voorgeschoteld, vleesgeworden in de persoon van Jezus Christus. Alleen al kijkend in hun eigen leven komen zij niet zelden tot de econometrische slotsom dat hun werkelijkheid eveneens niet klopt met dat model.

veel moeite getroost

Hoe dit ook zij: is geluk überhaupt meetbaar? Hoe meet je dan precies? Bovendien kun je geluk op een gevoelsmatige of een verstandelijke manier beoordelen. Feit is dat het geluksonderzoek van Veenhoven en Van Exel heel helder in beeld brengt wat belangrijk is voor een goed leven. Een goede fysieke en mentale gezondheid vormt de basis van alles; een prettige, veilige woonomgeving; vrijheid en autonomie bij het vormen van een mening en bij de levensinrichting; sociale relatie; een zinvolle dagbesteding en materiële welvaart dragen bij aan de totstandkoming van geluk: de laatste omdat hiermee ook onafhankelijkheid wordt bewerkstelligd.

Maar bij materiële welvaart schuilt dan toch weer een addertje onder het gras. Vanaf de industriële revolutie heeft het Westen een grote economische groei doorgemaakt. In zijn Principals of Political Economy (1848) stelde John Stuart Mill dat economische groei van voorbijgaande aard zou zijn omdat op een gegeven moment de materiële  schaarste wel overwonnen zou zijn. Dan zou er een maatschappij ontluiken waarin niemand arm zou zijn en – misschien wel daarom – niemand nog rijker wilde worden omdat er immers voldoende welvaart op micro-, meso- en macroniveau was.

Zelfs John Maynard Keynes ging er in zijn Economic Possibilities for Our Grandchildren (1930) van uit dat een economische groei van honderd jaar van schaarste tot ‘genoeg’ zou leiden en een maatschappij vol gelukkige mensen het gevolg zou zijn.

onverzadigbaar verlangen

Inmiddels weten wij beter. Professor Johan Graafland, econoomen theologisch goed geschoold, stelde in Het Oog van de Naald (2007) vast dat de gewenning die optreedt bij hogere welvaart weer gepaard gaat met het onverzadigbare verlangen naar iets nieuws. Bovendien blijft het gras bij de buurman toch ook altijd groener. En zo geschiedt het dat door de stijging van welvaart het gevoel van ongeluk weer toeneemt. Sterker nog: door de niet-aflatende groei aanconsumptieve behoeften worden publieke goederen zoals het milieu aangetast en worden wij ook hierdoor weer minder gelukkig.

‘Gelukkig is de mens die wijsheid gevonden heeft’, zegt de schrijver van het boek Spreuken (3:13). Over wat wijsheid is, kun je alleen maar denken in vragen. Maar in het middeleeuws Latijn begon het woord ‘beatus’ te staan voor de mens die volmaakt vrij was van onverzadigbaarheid, en die niet alleen maar gepreoccupeerd was door het gras van de buurman.

Dat er maar gauw een meetinstrument vervaardigd mag worden waardoor wij haarscherp in beeld krijgen wat precies het kantelpunt is waarop geluk dankzij voldoende welvaart en onafhankelijkheid (weer) verwordt tot ongeluk.